Lute Hilberts, De Parel 2013, nr. 1
Succulenten hebben al jaren mijn belangstelling, als kind had ik al een paar agave’s. De hobby heeft zich door de jaren heen uitgebreid naar tientallen en nog eens tientallen verschillende agave’s en dan vooral later alleen de klein blijvende soorten en variëteiten. Die grote agave americana’s met al die variëteiten nemen zo ontzettend veel plaats in beslag, daarvoor heeft nauwelijks iemand ’s winters ruimte. En niet alleen plek om ze neer te zetten, maar het moet er ook nog eens lichten vorstvrij zijn. Naderhand verschuift de interesse en is het tijd om een andere richting op te gaan. lk heb de meeste agave’s al jaren geleden verkocht en alleen de allermooiste klein blijvende soorten gehouden. Andere planten die je vaak bij succulenten- en cactuskwekerijen tegenkomt zijn leden van de grote Gesneriaceae plantenfamilie. Ik heb het altijd vreemd gevonden planten van die familie daar aan te treffen en toen ik het afgelopen jaar met mijn vrouw door Duitsland reisde en onderweg een paar van die kwekerijen bezocht, ach beste lezers, altijd op zoek naar andere soorten en gekke geslachten, toch maar eens aan een van hen de vraag gesteld. Want ook die man, met een fraai bedrijf in de buurt van Heidelberg, had planten van die familie in zijn kas staan en soorten (geen variëteiten) die ik helemaal niet kende. Hij vertelde dat hij alleen die Gesneriaceae in de verkoop had die knallen of wortelstokken hebben en dat geldt voor de hele branche, dus ook voor cactus- en succulentenkwekers in ons land zei hij. Die planten zijn dan toch hier en daar een beetje succulent vond hij.
Ik ben het niet met hem eens en zal in ons land wel eens beter doorvragen hoe dat zit. Een gloxinia (Sinningia, foto 4) is toch heel wat anders dan een Echinocactus of een Aloe.
De Gesneriaceae lijken me een schitterende groep planten om te gaan verzamelen maar we hebben het hier in onze Parel over kuipplanten ende meeste van de Gesneriaceae zijn, hoe mooi ook, kamerplanten. Onder andere gloxinia, Streptocarpus en Achimenes behoren tot deze familie. Dan maar eens op zoek naar kuipplanten van die familie en dus ga ik Boskoop, Zundert en Noord-België afstruinen en dan niet letterlijk maar achter de computer. Waar zo’n apparaat al niet voor kan worden gebruikt.
Mitraria coccinea (zie foto 1, 2 en omslagfoto) is de enige van die familie die ik in heel Boskoop en o.a. Lommel (B) aantrof samen met Lysionotus pauciflora, maar deze laatste is al eens beschreven in De Parel en wel doorTon Hannink in Parel nr. 5 van okt. 2009.
Tijd om deze kuipplant, de Mitraria, eens wat nader te bekijken. Toen ik haar kocht zat ze volop in de bloemknoppen. Dat leek dus erg hoopgevend en ze maakte dat helemaal waar want al gauw gingen de eerste bloemen open en dan zie je direct dat ze tot de Gesneriaceae behoort want de bloemen zien eruit als die van Streptocarpus en gloxinia, ze hebben dezelfde vorm en zijn ook behaard. Het is net velours als je er goed naar kijkt. Ik heb de plant direct een grotere pot gegeven, ze groeide goed en de bloeiperiode was toch zeker enige maanden.
Na de bloei vormden zich dikke zaaddozen (zie foto 3) en men zou ze natuurlijk kunnen oogsten en uitzaaien. Vele van de Gesneriaceae hebben in de grond knollen (Sinningia) of wortelstokken (Achimenes) en sommige breiden zieh in een pot heel snel ondergronds uit. Dat doet b.v. 5. tubiflora die we hier als potplant in de huiskamer hebben staan (zie foto 4). Je kunt binnen twee jaar de hele buurt van wortel-stokken voorzien, de bloemen geuren heerlijk ende bloemsten-gels worden zo maar 70 cm lang.
Maar nu terug naar Mitraria. Ze heeft knollen noch wortelstokken, stekt wel erg goed lees ik op het internet, zelfs zo goed dat in de natuur afgebroken takjes/ twijgen wanneer ze op de grond vallen spontaan gaan wortelen. Ze komt van nature voor in de zuidelijke helft van Chili en bloeit daar in de periode als wij de ramen van de auto moeten schoon krabben, een baan door de sneeuw moeten scheppen, de Elfstedentocht staat te gaan gebeuren en hier vlak voor de deur op het ijs koek en zopie wordt verkocht!! Hier in het land bloeit ze in de zomer en ze moet’s winters naar een koele, lichte en vorstvrije plaats en wordt dan licht vochtig gehouden, dit omdat ze wintergroen is, de blaadjes vallen er dus niet af.
Gesneriaceae (waarom gaan de botanici niet over op wat normalere namen voor plantenfamilies, geen wonder dat tuinbouwschoolleerlingen er crazy van worden) houden in de regel van vochtige omstandigheden en niet van grote hitte in de brandende zon dus daar houdt men rekening mee, simpel zat.
Om de twee a drie jaar verplanten in een goede potgrond. En als het een jonge plant betreft natuurlijk een keer vaker.
In het groeiseizoen regelmatig, en dat zeker in warme perioden, bemesten met 20-20-20 en dit kan men afwisselen met b.v. Pokon. Het gaat erom de plant aan de groei te houden en omdat ze eigenlijk een klimmer is gebruikt ze veel voedingsstof om dat proces tot een goed einde te brengen. Die van ons klimt nog niet, is nog jong, maar dat zal het komend jaar wel beginnen denk ik.
Ik zag dat de kweker in Boskoop al zijn mitraria’s al rigoureus had teruggesnoeid want anders worden ze te wilden passen ze niet meer in een tray voor beurs of export. Planten moeten zich maar schikken in de grillen van de moderne plantenkwekerij, ’t is wat. Als we haar dus wat compact willen houden zonder die lange scheuten dan na de bloei sterk terugsnoeien.
Op het internet lees ik: Chilean Mitre Flower. Mitre betekent gemijterd, met een mijter op. Dat zal slaan op de vorm van de bloemen neem ik aan. lk weet het niet zeker maar wellicht zijn er leden van onze club die me uit de droom kunnen helpen.
Er staat nog meer n.l.: “It is a woody climbing plant, native of the temperate rain forests of Chile. It is also cultivated as a garden plant in frost-free areas. Also named as: Scarlet Mitre Pod” (vrij vertaald: purperrode mijtervormige zaaddoos).
Duidelijk denk ik, het is een verhoutende endemische*) klimmer uit Chili die niet van de brandende zon houdt maar van half-schaduw. De potgrond matig vochtig houden, af en toe voedingsstof geven en vorstvrij houden. In Chili groeit ze tot acht meter hoog en men noemt haar daar Botellita en ook wel Vochi-vochi. lk ben erg benieuwd hoe het nu verder gaat, het eerste jaar was een succes. Niet dat het een zee van bloemen was maar wel regelmatig en vrij lang zaten er bloemen aan die aan de wat dunne takjes in de wind heen en weer wiegden. Best wel een sierlijk gezicht.
lk heb een joekel van een kuip waar een grote Japanse mispel (Eriobotrya japonica), een Gelsemium sempervirens ‘Plena’ (nog van Theo Kuijpers) en een klimmende Dicentra scandens in staan. Daarin is nog plaats en dan kan ze, net als de andere klimmers, omhoog in de mispel en hoef ik straks geen extra pot in de kas te sjouwen.
Mensen die ervaring hebben met Mitraria, de Chileense klimmer, grijp de pen/pc en laat ons dat via onze Parel weten.
*) endemisch betekent: van oorsprong alleen in dat land voorkomend




